Zzp sectorale rechtsvermoeden: van een VBAR minimumtarief naar maatwerk

Tekst en afbeeldingen gepubliceerd op 6 februari 2026 door Wilmar Dik

In het coalitieakkoord staat een duidelijke ambitie: zelfstandigen moeten meer ruimte en duidelijkheid krijgen. Het kabinet kondigt aan om de Zelfstandigenwet gefaseerd in te voeren en te starten met het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de VBAR, gecombineerd met sectorale rechtsvermoedens en een toetsingscommissie.

Een sectorale rechtsvermoedens, dat klinkt mooi! Zoals het er nu uitziet mogen Nathalie Van Berkel en Thierry Aartsen zorgen voor een werkbaar zzp-kader. Maar hoe kan een sectoraal rechtsvermoeden, en een minimumtarief, zó worden ingericht dat het recht doet aan de grote verschillen tussen zelfstandigen? Daar heb ik al even over nagedacht 😊


Een minimumtarief is alleen een ondergrens, geen streeftarief

Een minimumtarief is niet een tarief waar zzp’ers voor willen of moeten werken. Net zoals het minimumloon in loondienst alleen maar een ondergrens is. Het geeft aan dat onder dit niveau het niet realistisch meer is om als zelfstandig ondernemer te werken. Van een lager bedrag kun je onvoldoende rondkomen en houd je te weinig over.

Zelfstandigen werken soms voor te lage tarieven. Dat kan bewust of onbewust zijn. Iedere ondernemer die zelf goed een tarief berekend zal zeker niet willen werken voor een tarief waar je niet van kan rondkomen. Dat dit nu nog wel eens gebeurt hangt ook van marktmacht af. Daarover meer in dit artikel: Marktwerking, waarom het in sommige sectoren hapert voor zzpers

Een minimumtarief voor een rechtsvermoeden kan ingrijpen daar waar nodig. Bij tarieven waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ze niet door de zelfstandige zelf zijn bedacht omdat ze veel te laag zijn.


Waarom één minimumtarief zoals nu niet werkt

De huidige benadering in de VBAR en de zelfstandigenwet gaat nu nog uit van één minimumuurtarief, vanaf 1-1-2026 is dat 38 euro.Dat lijkt helder, maar doet geen recht aan de realiteit. Het maakt namelijk enorm verschil of je 30 uur per week declarabel bent, of structureel niet verder komt dan 17, 21 of 25 uur per week.

Hierbij heb ik het niet over de ondernemerskwaliteiten en of een ondernemer wel genoeg waarde toevoegt. Ik heb het bij deze declarabele uren over marktgemiddelden. Een markt heeft een bepaalde waarde/omzet en die wordt ingevuld door een x aantal zelfstandigen. Voegt een bepaalde zzp-er onvoldoende waarde toe dan zal die het gemiddeld aantal uren in die specifieke markt niet halen. Is een zzp-er bijzonder goed dan zal die meer dan een gemiddeld aantal uren kunnen halen. Maar bij beleid en het maken daarvan is het wel verstandig om van een gemiddeld aantal realistische uren uit te gaan die markt specifiek is.

Het huidige VBAR tarief voor “rechtsvermoeden” sluit alleen aan als je ook daadwerkelijk kosten en declarabele uren hebt zoals die hier staan:


De huidige correcties passen niet bij de meeste zzp beroepen

De huidige correctie voor niet-declarabele uren is +50%, dus 2/3 declarabel, 1/3 niet-declarabel. Bij een 39 urige werkweek is dat bijvoorbeeld 26 uur declarabel.

Dat is prima als dat het gemiddelde is van de markt waar je je als zelfstandige in bevindt, maar voor de meeste zzp-ers werkt dat niet want die hebben te maken met andere gemiddelde declarabele uren.

Er zijn al veel onderzoeken naar declarabele uren beschikbaar. Je zou kunnen vragen aan beroepsorganisatie wat realistisch is in een bepaalde markt. Ook kan je kijken naar gegevens van het CBS of de KvK. Als de KNAB bank met specifieke declarabele uur cijfers per beroep kan komen dan moet dat voor de Rijksoverheid ook te doen zijn.

Een misrekening aan de onderkant van een markt gaat al snel ten koste van een pensioenopbouw of een (nu nog niet verplichte) arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Waarom een one-size fits all benadering niet werkt schreef ik hier al eerder: https://www.zipconomy.nl/2025/11/in-5-stappen-naar-een-eerlijke-en-duurzame-zzp-markt/


Voorbeelden met de huidige VBAR berekening

Stel je bent een docent of psycholoog, werkt fulltime en kan volgens een marktgemiddelde 21 uur per week factureren. Net als mensen in loondienst willen ook zelfstandigen graag wat vakantiedagen en zijn ze wel eens ziek. Ook hebben zelfstandigen veel meer last van leegloop uren. Want flexibiliteit heeft gevolgen voor de inkomenszekerheid. Stel dat je gemiddeld bijvoorbeeld 44 werkweken per jaar hebt.

Maak je de rekensom op basis van het huidige tarief voor rechtsvermoeden, voor deze docent of psycholoog dan ziet die er zo uit:

21 uur x 44 weken x 38 euro = 35112 bruto jaaromzet. Haal daar alle bedrijfskosten, pensioenopbouw, afschrijvingen, verzekeringen en belastingen vanaf. Als dit alles bijvoorbeeld 35% is, dan houd je 1902,- per maand over. Dat is 400 euro minder dan iemand die een baan in loondienst heeft en werkt voor een minimumloon. Daar kun je niet van leven.

Maak je dezelfde berekening voor een timmerman, die gemiddeld 33 uur per week kan berekenen dan ziet die rekensom er zo uit:

33 uur x 44 weken x 38 euro is = 55176 bruto. Haal je daar 35% vanaf dan kom je op 2988 euro. Dat is weer vrij hoog voor een minimum uurtarief als ondergrens.

Met deze voorbeeldberekeningen wil ik alleen maar aangeven dat het huidige minimum tarief niet erg goed in elkaar zit.


Een beter voorstel: werken met schijven

Het is niet nodig om voor elk beroep een apart minimumtarief vast te leggen. Veel beroepen hebben vergelijkbare declarabele uren. Daarom kan een schijvenmodel uitkomst bieden.

Uitgaande van 44 werkbare weken per jaar kan de realiteit van declarabele uren per week verdelen in bijvoorbeeld zes duidelijke schijven:

Elk beroep kan op basis van data worden ingedeeld in zo’n schijf. Op die manier krijg je een realistische ondergrens die in een berekening rekening houdt met de huidige arbeidsmarktsituatie van zelfstandigen.

Het lijkt mij handig dat deze schijven en gegevens over declarabele uren bijvoorbeeld door een toetsingscommissie periodiek geactualiseerd worden. Zo blijft het systeem meebewegen met de markt, zonder dat een wet zelf steeds aangepast hoeft te worden.


Wat is eerlijk en werkt voor elke zzp-er?

Als je ook kijkt naar de marktsituatie van een zelfstandige dan ontstaan rechtsvermoeden niet alleen bij “een laag tarief” op zich, maar bij een combinatie van factoren waar zelfstandigen mee te maken hebben.

Neem realistische declarabele uren en bedrijfskosten mee in de berekening. Dan volgt er een veel realistische ondergrens die werkt voor alle zelfstandigen, ongeacht de sector. Declarabele uren zijn belangrijker en wegen meestal zwaarder mee dan bedrijfskosten. Je zou kunnen overwegen om bedrijfskosten nog te verdelen in “normaal” en “hoog”. Waarbij normaal de kosten omvatten zonder al te veel extra’s en hoog voor beroepen die echt flink investeren.

Ga je gebruik maken van realistische declarabele uren en kosten van beroepen dan kan je de rekensom van een minimumuurtarief veel beter uitrekenen. Dan volgen er minimumtarieven die de mogelijkheid hebben om uit te komen op een bedrag waar je van rond kan komen. Als je wel corrigeert op basis van realistische declarabele uren d.m.v. mijn bovenstaande schijven idee, dan kom je uit op dit soort minimumtarieven:

Deze tarieven weerspiegelen de realiteit van declarabele uren. Ik wil niet zeggen dat deze schijven indeling en correcties helemaal perfect zijn. Maar het geeft wel een ander beeld en sluit beter aan bij de diversiteit van zelfstandigen.

Ik hoop dat de Rijksoverheid met een bedrag voor rechtsvermoeden ook sectorspecifiek gaat kijken naar de realiteit van een beroep.

Het zou eerlijker zijn om de verschillen tussen sectoren en beroepen te erkennen. Rekening houden met de realiteit maakt handhaving uitlegbaar en consistent. Dit kan voorkomen dat zelfstandigen die werken in sectoren met een lagere declarabiliteit structureel te weinig verdienen. Steeds vaker met armoede tot gevolg.

Een minimumtarief wordt zo weer wat het hoort te zijn. Het laat werken weer lonen, ongeacht de sector.


Wie is Wilmar Dik?

freelance fotograaf schrijft over vergelijking van zzp met cao en opslag

Dit artikel is een idee en opinie van mij, beroepsfotograaf Wilmar Dik uit Den Haag. Ik ben sinds 2008 beroepsfotograaf en de laatste jaren ook cameraman. Ook schrijf ik over fotografie en ondernemen en zet ik mij in voor de belangen van fotografen en de belangen van freelancers in het algemeen. Bij de NVJ ben ik Vertegenwoordiger beleidsteam Werkvoorwaarden namens ledengroep NVF/Beeldmakers. Ook praat ik mee bij Platform Fotografie, een onderdeel van fairPACCT, een programma van Platform Arbeidsmarkt Culturele en Creatieve Toekomst (Platform ACCT).

Dit artikel mag (alleen in overleg met mij) worden overgenomen.